|
Nieuwsberichten8 juli 2008
Uitstel van ouderschap: waar zit het echte probleem?
Is uitstel van ouderschap een probleem? Is uitstel van ouderschap een probleem? En zo ja, wat zou dan de rol van de overheid of van andere partijen (sociale partners) moeten zijn om daaraan wat te doen? Die vraag stelde de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg (RVZ) in een discussie die ruim een jaar geleden over dit onderwerp begon. En op die vraag geven Bonneux, Zaadstra en De Beer in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde een antwoord. Uitstel van ouderschap is volgens hen geen probleem en er is geen aanleiding tot door de RVZ en sommige gynaecologen aangewakkerde zorgen. De meeste vrouwen in Nederland maken een verstandige keuze door hun eerste kind te krijgen vanaf hun 25e en voor hun 35e levensjaar. Dat is, volgens Bonneux e.a., in medisch en sociaal opzicht niet te vroeg en niet te laat. Krijg je namelijk kinderen voor je 25e dan is dat vanwege sociale risico’s (opleiding niet af, minder stabiele relatie, sociale achterstand) niet verstandig, krijg je ze na je 35e dan kan dat in medisch opzicht tot problemen leiden. Kortom: die bangmakerij van de RVZ en van sommige gynaecologen is helemaal niet nodig. En de overheid? Die hoeft dus eigenlijk niets te doen.
Ouderschap stelt vrouwen voor een dilemma Het moment van kinderen krijgen stelt vooral vrouwen voor een dilemma: de biologische klok tikt door en de maatschappelijke ladder houdt daar geen rekening mee. Met andere woorden: medisch gezien is het beter niet te laat kinderen te krijgen, maar maatschappelijk gezien loont het om uit te stellen. Nu kun je op dit dilemma op verschillende manieren op reageren: óf je focust wat sterker op de maatschappelijke risico’s en relativeert de medische risico’s óf je focust sterker op de medische en wat minder op de maatschappelijke risico’s. Sommige gynaecologen kiezen voor dat laatste, terwijl Bonneux e.a. voor het eerste kiezen. De RVZ wijst op zowel de medische als maatschappelijke risico’s. Dat leidt tot deels dezelfde en deels ook een verschillende boodschap aan degenen die voor de keuze van ouderschap staan.
Meer risico’s na je 30e of je 35e levensjaar? Bonneux e.a. en de RVZ zijn het eens dat er zowel medische als maatschappelijke risico’s verbonden zijn aan te vroege en te late zwangerschappen. Verschil van mening is er wel over de vraag vanaf welke leeftijd de medische risico’s toenemen en hoe zwaar je die moet laten wegen. De RVZ stelt op basis van allerlei onderzoek dat vrouwen vanaf hun 30e jaar rekening moeten houden met de kans op afnemende vruchtbaarheid en toenemende medische risico’s voor moeder en kind. De RVZ bepleit dan ook dat overheid en andere partijen, zoals het onderwijs, de voorlichting hierover verbetert. Veel vrouwen zijn zich niet bewust van de extra kansen op borstkanker voor moeders die op latere leeftijd hun eerste kind krijgen. Veel ouderparen zijn zich niet bewust van de toegenomen gezondheids- en leerproblemen bij kinderen van moeders die op latere leeftijd hun eerste kind krijgen. Voor Bonneux e.a. zijn die risico’s vanaf je 30e nog niet noemenswaardig en tellen die pas mee vanaf je 35e. Hun boodschap is dat de meeste vrouwen al spontaan daar rekening mee houden en hun eerste kind voor hun 35e jaar krijgen. Met andere woorden: vrouwen (en mannen) van nu hoeven daarop niet gewezen te worden, ze doen het vanzelf al goed. De overheid hoeft dus niets te doen.
Het is maar hoe je het bekijkt Gynaecologen zien alleen de vrouwen met vruchtbaarheidsproblemen en dat geeft een vertekend beeld, volgens Bonneux e.a.. Hij raakt hier een belangrijk punt aan: gynaecologen kijken inderdaad met een andere bril dan demografen naar het gegeven dat de leeftijd van vrouwen waarop zij hun eerste kind krijgen is toegenomen. Maar of die bril vertekent is de vraag. Bonneux laat aan de hand van statistische gegevens zien – en daarin zal hij vast gelijk hebben – dat vooral de afname van het aantal jonge moeders en niet zozeer de toename van het aantal oude moeders ervoor gezorgd heeft dat de gemiddelde leeftijd omhoog is gegaan. Anticonceptie heeft daarin natuurlijk een niet onbelangrijke rol gespeeld. Ook vroeger waren er relatief veel oude moeders, alleen toen waren het vaak ‘nakomertjes’ en nu zijn het vooral ‘laatstekanskinderen’. Dat maakt wel verschil. Bonneux e.a. beoordelen uitstel van ouderschap vooral getalsmatig, op macroniveau en proportioneel: om hoeveel vrouwen met vruchtbaarheidsproblemen gaat het helemaal?
Gynaecologen hebben dagelijks te maken met vrouwen met vruchtbaarheidsproblemen en in toenemende mate betreft het vrouwen die hun zwangerschap uitgesteld hebben. Bonneux e.a. ontkennen dit overigens niet. Niet het statistische aantal op macroniveau, maar de toename van de vruchtbaarheidsproblemen in de dagelijkse praktijk doet gynaecologen de alarmklok luiden. Niet het getal maar de ernst van de medische risico’s van individuele patiënten zijn bepalend hiervoor.
Wat moet de overheid nu wel en niet doen? De RVZ vindt dat de keuze voor ouderschap een vrije keuze moet zijn, geeft daarom geen advies over wat de beste leeftijd is voor ouderschap. Dat moet iedereen vooral zelf bepalen. Maar om die keuze goed te kunnen maken is het wel zaak goed geïnformeerd te zijn en daaraan schort het nog vaak. Dat begint al met het feit dat al vanaf het 30e levensjaar de vruchtbaarheid afneemt en de medische risico’s toenemen. Veel vrouwen (én veel mannen) zijn daarover bar slecht geïnformeerd. Ook maatschappelijke factoren verhinderen een vrije keuze. Zo zijn er nog veel verbeteringen mogelijk in de combinatie van arbeid en zorg, door bijvoorbeeld flexibele werktijden en betere afstemming tussen levensloop en loopbaanplanning. Zeker nu de participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt omhoog moet. Ook de combinatie van zorg voor kinderen en studie of opleiding kan verbeterd worden evenals de toegang van jonge starters op de woningmarkt. Daar zitten de problemen die met de bril van Bonneux onzichtbaar blijven.
mw. prof. dr. Didi Braat vice-voorzitter Raad voor de Volksgezondheid en Zorg
Gekoppelde adviezen:
Signalement: Uitstel van ouderschap
|