Wet geeft gemeente autonomie bij ondersteuning maatschappelijke participatie Burger krijgt afdwingbaar recht op ondersteuning Zoetermeer, 28 januari 2005 - De Wet op de maatschappelijke ondersteuning die staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, mevrouw drs. C. Ross-van Dorp voorbereidt, moet het recht borgen op ondersteuning bij maatschappelijke participatie van mensen met een beperking. Gemeenten moeten een ‘compensatieplicht’ opgelegd krijgen. Dat staat in het advies dat de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg op vrijdag 28 januari jl. aan de Staatssecretaris heeft gestuurd.
Mensen met een beperking willen terecht een volwaardige plek in de samenleving, maar ze krijgen die plek niet. Als het gaat om maatschappelijke participatie, schiet Nederland te kort, constateert de Raad in zijn briefadvies. Bovendien werkt de AWBZ niet goed. Mensen krijgen niet de zorg waar zij om vragen en waarop zij recht hebben. Daar komt nog bij dat de overheid de uitgaven voor die zorg niet meer kan beheersen. Dus adviseert de RVZ met kracht de maatschappelijke participatie van mensen met een beperking aan te pakken én de AWBZ te saneren. De gemeente moet verantwoordelijk worden voor de maatschappelijke participatie van mensen met een beperking. En de AWBZ moet gesplitst in twee duidelijke componenten: zorg en maatschappelijke participatie. Voor dat laatste wordt de gemeente verantwoordelijk binnen het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO).
De Raad meent dat de nieuwe wet de lokale democratie een impuls kan geven. De relatie tussen burger en gemeente moet het focus zijn van de wet. In die relatie moet de wet burgerschap activeren, gemeenschapszin mobiliseren en de verantwoordelijkheid voor welzijn en gezondheid, ook van anderen (bijvoorbeeld in de sfeer van de mantelzorg) bevorderen. Naar het oordeel van de Raad moet duidelijk worden dat de gemeente een brede en zware taak heeft en autonoom is in het voeren van de regie hierover op het terrein van welzijn, wonen en ondersteuning. Voor centrale wet- en regelgeving zou moeten gelden: nee, tenzij. Niet de relatie rijk – gemeente, maar die tussen burger en gemeente is van belang. De lokale differentiatie die hiervan het gevolg kan zijn, is geen probleem, maar de oplossing vindt de Raad. De gemeente moet de regie ook kunnen voeren over de grens van de WMO: als het nodig is, moet de gemeente ook zorgaanbieders en -verzekeraars kunnen aanspreken. Doel van de lokale regie moet immers zijn: het borgen van de continuïteit van zorg en ondersteuning in een situatie van versnippering van de financiering van de ‘long term care’.
De Staatssecretaris had in aansluiting op een eerder advies van de Raad (Gemeente en zorg) specifieke aanvullende vragen gesteld. De antwoorden staan in dit advies, dat zij benut bij de voorbereiding van een wettekst, die volgens planning binnenkort naar het parlement wordt gestuurd. Een van de voorstellen die de RVZ doet is dat de WMO voorschrijft wat maatschappelijke participatie in ieder geval moet inhouden (bijvoorbeeld toegang tot het openbaar vervoer of tot het onderwijs).
Verder zou de gemeente een zogenaamde compensatieplicht moeten krijgen. Dat betekent dat zij de beperking van een inwoner moet compenseren of opheffen, opdat deze inwoner een aan een ander gelijkwaardige plaats in de samenleving krijgt. De gemeente moet in het openbaar worden beoordeeld op zijn prestaties op dit terrein, onder meer via het Internet, en burgers moeten meer inspraak krijgen in de WMO die de Staatssecretaris voorstelt.
|
korte inhoud
persbericht
downloads
reacties
nieuws
|