Medisch-technologische ontwikkelingen zorg 20/20
Achtergrondstudie uitgebracht door de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg bij het advies Medisch-specialistische zorg in 20/20
door drs. D.C. Duchatteau, MBA en M.D.H. Vink (LSJ medisch projectbureau)
Samenvatting
In deze achtergrondstudie schetsen wij een overzicht van medische en technologische ontwikkelingen die raken aan het concentratie / deconcentratie vraagstuk in het ziekenhuislandschap. Om op hoofdlijnen na te gaan wat de belangrijkste ontwikkelingen zijn, zijn enkele informele gesprekken gevoerd en boeken, rapporten en artikelen over de toekomst van de zorg bestudeerd. Op basis van deze gesprekken en publicaties hebben we de belangrijkste ontwikkelingen geïnventariseerd, zowel medisch inhoudelijk als technologisch. Als belangrijkste medisch inhoudelijk (medisch technologische) ontwikkelingen identificeerden we genomics, tissue re-engineering & regenarative medicine, vaccins en nanomedicine. Als belangrijkste technologische ontwikkelingen: intelligent devices, home diagnostics, health 2.0 & telemedicine en imaging.
Een voor de hand liggende vrees was, dat we zouden eindigen met een vergaarbak aan trends en ontwikkelingen zonder inhoudelijke samenhang. Gaande het onderzoek bleek dat de verschillende individuele trends opvallend vaak in samenhang werden beschreven. Sinds medio jaren ‘90 onder de noemer P4 Medicine: Personalised, Predictive, Preventive / Preemptive, Participatory; een ontwikkeling met systeembiologie als onderliggende wetenschap.
De snelheid waarmee de ontwikkelingen zoals geschetst in deze studie zich zullen ontvouwen is ongewis. Als belangrijkste bron zijn veelal zeer recente wetenschappelijke publicaties gebruikt. De “clinical implications” zoals die in deze publicaties worden geschetst getuigen van het enthousiasme van de auteurs, maar de praktijk kan aanzienlijk weerbarstiger zijn. Welke invloed medisch wetenschappelijke ontwikkelingen als gentherapie of systeembiologie zullen hebben laat zich niet voorspellen. Het komende decennium is dit wellicht nog zeer beperkt.
Naast de weerbarstigheid van wetenschappelijke vooruitgang spelen ook maatschappelijke opvattingen een belangrijke rol. Niet alles wat mogelijk is, denk bijvoorbeeld aan genetische risicoprofilering, zal op grote schaal worden ingevoerd. Ook voor een ontwikkeling als e-health zal veel afhangen van maatschappelijk draagvlak. Hoewel de snelheid van implementatie zeer ongewis is, geven de ontwikkelingen die in deze achtergrondstudie staan beschreven wel richtingen aan waarin de zorg zich zal ontwikkelen.
1. De medisch wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen zullen maken dat we ziekteprocessen eerder signaleren en vroeger kunnen ingrijpen. De ontwikkelingen op het gebied van de beeldvorming, gecombineerd met de ontwikkelingen op het gebied van bijvoorbeeld molecular markers, gecombineerd met een beter begrip van ziekteprocessen zullen deze vroegere detectie bevorderen.
2. Diagnostiek zal deels concentreren door de verdere ontwikkeling van hoogcomplexe, kapitaalintensieve apparatuur, maar tegelijkertijd deels juist vergaand deconcentreren door het kleiner en goedkoper worden van diagnostische apparatuur en toename van “intelligent devices”: van tweede lijn naar eerste lijn en uiteindelijk ook steeds meer naar de burger.
3. Behandeling wordt specifieker, minder invasief, en meer afgestemd op de karakteristieken van de patiënt. Opnieuw versterken hier de medische en technologische ontwikkelingen elkaar. Specifieker en minder invasief door nauwkeurigere diagnostiek, meer gerichte drug delivery, verfijndere (robot)chirurgie of betere lokalisatie door verfijndere beeldvorming. Meer afgestemd of de patiënt (voorlopig) in zeer beperkte mate door de combinatie met genotypering, maar ook – ondersteund door toegenomen inzicht in ziekteprocessen en interacties – meer rekening houdend met persoonlijke factoren en comorbiditeit.
4. De rol van de patiënt en de arts veranderen. De houding van de patiënt verschuift van een passieve naar een actieve. De rol van de professional verschuift van autoriteit in de richting van partnership. Technologische en sociologische ontwikkelingen gaan hier hand in hand. Kennis democratiseert, de patiënt is beter geëquipeerd om een actievere rol in te nemen. Door ICT wordt deze rol ondersteund. Voor communicatie tussen professional en patiënt, nu nog primair via fysiek contact en de telefoon, zullen andere media in toenemende mate worden gebruik.
Met name de ontwikkelingen op het gebied van de ICT zullen binnen afzienbare termijn van grote invloed op het zorglandschap. Dit om twee redenen. Ten eerste zullen veel medische ontwikkelingen veel geleidelijker van aard zijn en vooral van invloed zijn op wat er in de spreek- of behandelkamer gebeurt en hoe, maar minder van invloed op het waar of het wie. Ten tweede, en dit is misschien wel de belangrijkste reden, dit gaat niet over technologie van overmorgen, maar over technologie van vandaag! Op dit moment heeft de zorg ICT nog niet de karakteristieken van een disruptive technology, maar dat dit moment in het komende decennium wel bereikt zal worden is onmiskenbaar. Het is niet de vraag of, maar veeleer de vraag wanneer. Een dergelijke transformatie zal zich niet in 2011 en waarschijnlijk ook niet in 2012 voltrekken, maar het zal zeker niet tot 2020 duren voordat ook de zorgsector onder invloed van “e-ontwikkelingen” verandert of veranderd wordt.
Er wordt er vele jaren gesproken over de “anderhalfde lijn”, maar deze wil, uitzonderingen daargelaten, niet van de grond komen. De ontwikkelingen op het gebied van de ICT maken deze stap wellicht makkelijker. Een virtuele anderhalfde lijn is wellicht eenvoudiger te realiseren dan een fysieke anderhalfde lijn. Ontwikkelingen op het gebied van e-consultatie zouden een anderhalfde lijn een flinke impuls kunnen geven. Zorg kan hierbij vaker dichtbij huis geleverd worden. (Deze gedachte wordt in meer detail uitgewerkt in 6.2.3.)
Maar ook binnen de tweede lijn zullen veranderingen optreden. Verschillende ontwikkelingen die in deze achtergrondstudie worden genoemd versterken de noodzaak tot concentratie. Deze noodzaak kan financieel van aard zijn (kapitaalintensieve diagnostische apparatuur of dure behandelingsinfrastructuur) of gelegen zijn in schaarste van expertise (bijvoorbeeld consultatie van een hoogleraar) of ingegeven zijn door kwaliteit (verghoging van kwaliteit door toename van ervaring door concentratie). Maar wat dan als deze patiënt de stap naar “verder van huis” heeft gezet? Wanneer verplaats de zorg zich weer naar dicht bij huis? Hiervoor lijken netwerkorganisaties onontbeerlijk. Volgen van het adagium “ver van huis wat ver moet, dichtbij huis als het kan” impliceert een opdeling van het zorgproces. Dus niet alleen concentreren op basis van aandoening, maar concentreren – en deconcentreren – op basis van de benodigde expertise, ervaring of infrastructuur in de specifiek fase van diagnostiek of behandeling, opnieuw gefaciliteerd door ICT. Zowel voor de scheiding tussen eerste lijn als binnen de tweede lijn is de patiënt gediend met minder harde scheidslijnen. Netwerkorganisaties lijken de oplossing om de scheidslijnen tussen lijnen en organisaties te verzachten. Concentratie waar dit economische of kwalitatieve meerwaarde heeft en deconcentratie inclusief naar de eerste lijn waar dat kan. De technologische ontwikkelingen maken in elk geval dat een belangrijk obstakel, communicatie en het delen van gegevens, voor een groot deel is weggenomen. De koppeling tussen persoon (patiënt én zorgverlener), gebouw en gegevens hoeft niet langer een obstakel te zijn.
