|
Nieuwsberichten14 februari 2007
Allochtone kinderen krijgen zorg van mindere kwaliteit
Slechte communicatie is de oorzaak In Nederland ontvangen kinderen van allochtone, niet-westerse afkomst kwalitatief slechtere zorg van jeugdartsen, huisartsen en medisch specialisten dan kinderen van autochtone afkomst. Slechtere zorg wil zeggen: minder continu, minder tijdig en minder adequaat. Er zijn ook meer afstemmingsproblemen in de zorgverlening. Dat komt vooral door een slechte communicatie tussen artsen en ouders. Dat constateert Nathalie Urbanus-van Laar in een recent proefschrift over dit onderwerp. Behalve de taal werpen ook cultuurverschillen barrières op. Diagnose, behandeling en nazorg hebben daaronder te lijden met als gevolg dat de kwaliteit van de zorg minder is.
Dat is ook al eerder gesignaleerd Het is niet voor het eerst dat dergelijke problemen worden gesignaleerd. De RVZ heeft er in 2000 een uitvoerig advies over uitgebracht, waarin voorstellen worden gedaan om de gezondheidszorg gevoeliger te maken voor cultuurverschillen. Gebrek aan communicatie door taal- en cultuurverschillen leveren vooral bij de huisarts – de toegangspoort tot de gezondheidszorg – problemen op. Onderzoek wijst uit dat de huisarts en de allochtone patiënt elkaar in de spreekkamer in bijna de helft van de gevallen niet (33%) of nauwelijks (10%) begrijpen. De omvang van het probleem is groot, want bijna een kwart van de jongeren onder de twintig is van allochtone herkomst.
Taal- en cultuurverschillen overbruggen Wat valt er te doen aan het probleem dat Nathalie Urbanus heeft onderzocht? Zelf denkt zij vooral aan betere scholing van artsen en allochtone ouders. Artsen zouden meer culturele competenties moeten aanleren. Om te beginnen tijdens hun opleiding en daarna door bij- en nascholing. Voor allochtone ouders is vaak het algehele opleidingsniveau het probleem. Betere scholing, waaronder taalonderwijs, zou dus moeten helpen. Daarnaast zou je volgens Nathalie Urbanus ook moeten denken aan gerichte gezondheidsvoorlichting en -opvoeding, al dan niet in het kader van de behandeling. Het zijn voorstellen die gericht zijn op wat de gezondheidszorg kan doen.
Maar is dat genoeg? Wij vinden dat de ouders op hun eigen verantwoordelijkheid moeten worden aangesproken. We hebben te maken met een hardnekkig probleem, dat zich vooral voordoet bij kinderen van Turkse en Marokkaanse ouders. Het probleem is minder groot bij kinderen van Surinaamse en Antilliaanse afkomst. Hun ouders begrijpen en beheersen het Nederlands beter en de Nederlandse cultuur is hen minder vreemd. Dat wijst erop dat de oorzaak vooral gezocht moet worden in een gebrekkige inburgering van de Turkse en Marokkaanse ouders. Als we af mogen gaan op wat Wikipedia hierover zegt, is de praktijk van de gezinshereniging hier debet aan. In de Benelux zouden (volgens nog onvolledige gegevens) driekwart van de islamitische allochtonen hun bruid of bruidegom uit het buitenland - het vaderland van hun ouders - halen. Dergelijke nieuwkomers spreken vaak de taal niet of uiterst gebrekkig, hebben weinig opleiding en hun culturele bagage is niet op de Nederlandse samenleving afgestemd.
Strenger voor de ouders Vanaf 1 maart 2006 moeten zij in eigen land een basisexamen inburgering afleggen en vervolgens in Nederland een examen Nederlands en een examen Kennis van de Nederlandse Samenleving halen. Het zijn resultaatsverplichtingen en dat vinden wij terecht. Het is aan de nieuwkomers om de taal- en cultuurverschillen te overbruggen en niet andersom. Het probleem moet niet op het bord van de gezondheidszorg worden gelegd.
Gekoppelde adviezen:
Interculturalisatie van de gezondheidszorg
|