|
Nieuwsberichten19 december 2006
Follow up adviezen
Taakherschikking in de gezondheidszorg Het advies Taakherschikking in de gezondheidszorg heeft geleid tot veel activiteiten. Taakherschikking is nog steeds een belangrijk issue. Niet alleen in het overheidsbeleid, maar ook in het (onderzoeks)veld van de gezondheidszorg. Het advies heeft onder meer geleid tot de instelling van de Commissie Le Grand en de Stuurgroep MOBG (Modernisering Opleiding Beroepen Gezondheidszorg) onder leiding van oud-minister Sorgdrager.
College voor de Beroepen Verder heeft een en ander in juli 2006 geresulteerd in de oprichting van een College voor de Beroepen en Opleidingen in de Gezondheidszorg (CBOG) door V&VN (voorheen AVVV), KNMG, GGZ Nederland, NFU en NVZ-STZ. Dit College gaat zich bezighouden met het bevorderen en bewaken van een optimale personeelsbezetting in de gezondheidszorg en werkt aan de innovatie van beroepen(structuur) en opleidingen. De beoogde samenhang tussen beroepen en opleidingen moet eveneens binnen het CBOG gestalte krijgen.
Het nieuwe bestuur zal aantreden op 1 februari 2007 onder gelijktijdige decharge van het interim-bestuur.
Als voorzitter is benoemd de heer prof. dr. E.A. van der Veen (tot 1 maart 2007 decaan van de medische faculteit van de VU en lid van de Stuurgroep MOBG). Als leden zijn benoemd, mw. drs. I. van Bennekom (directeur NPCF), prof. dr. E. Schadé (hoogleraar Huisartsgeneeskunde, AMC-UvA), prof. dr. B. J. N. Schreuder (voorzitter Raad van Bestuur Meerkanten ggz flevo-veluwe), J.H. Bakker MHA (voorzitter Raad van Bestuur, Koninklijke Effatha Guyot Groep) en dr. G.A. Kool (tot voor kort voorzitter Raad van Bestuur Medisch Centrum Alkmaar en thans interim-voorzitter directie Revalidatiecentrum De Vogellanden in Zwolle).
Aanpassingen in wetgeving De door de RVZ voorgestelde aanpassingen in wetgeving om taakherschikking mogelijk te maken zijn deels al uitgevoerd (directe toegankelijkheid fysiotherapie en regeling financiering opleiding nieuwe beroepen) deels nog in voorbereiding (voorschrijven van medicijnen door (groepen van) verpleegkundigen), regeling van nieuwe beroepen, aanpassing deskundigheidsomschrijvingen in de wet BIG).
Over het voorschrijven van medicijnen door verpleegkundigen is het laatste woord nog niet gezegd hoewel daar al het nodige over te doen is geweest. Zie bijvoorbeeld het nieuwsbericht van 10 maart op de RVZ website ‘Medicijnen voorschrijven door verpleegkundigen; taakherschikking of toch maar niet?’ In de Tweede Kamer is bij de behandeling van nieuwe Geneesmiddelenwet inmiddels een motie (Schippers en Vendrik) aangenomen waardoor groepen van verpleegkundigen medicijnen mogen voorschrijven. Een en ander wordt nog nader uitgewerkt bij Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB). De behandeling in de Eerste Kamer is (december 2006) nog niet afgerond. Discussie is er bijvoorbeeld nog over het verschil in voorschrijfbevoegdheid voor verpleegkundig specialisten en andere groepen verpleegkundigen. Discussies die bij het opstellen van de benodigde AMvB’s ongetwijfeld zullen terugkeren.
In het veld van de gezondheidszorg Dat taakherschikking breed leeft, wordt geïllustreerd aan de hand van twee oproepen voor een symposium / congres.
Dokter, schikt ‘t? Taakherschikking en de gevolgen voor artsenDe KNMG nodigt u van harte uit om op dit symposium te leren van de praktijkervaringen van collega’s en samen met hen en beleidsmakers mee te praten over het thema taakherschikking. We informeren u over de laatste stand van zaken op het gebied van taakherschikking en de visie van beleidsmakers hierop.Als reactie op het advies ‘Taakherschikking in de gezondheidszorg’ van de Raad voor de Volksgezondheid & Zorg (RVZ) heeft de KNMG in 2003 een standpunt vastgesteld over taakherschikking. Als randvoorwaarde voor taakherschikking werd toen geformuleerd: de arts moet het overzicht houden over diagnose en behandeling van de patiënt. Inmiddels zijn er twee jaar verstreken en blijft het veld in beweging. Kijk bijvoorbeeld naar de adviesaanvraag van de minister van VWS aan de RVZ om de medische diagnose wel of niet als voorbehouden handeling te kwalificeren, het afstuderen van de eerste physician-assistants en de activiteiten van de stuurgroep Modernisering Opleidingen en Beroepsuitoefening in de Gezondheidszorg (MOBG). Redenen genoeg om u uit te nodigen om aan ons symposium deel te nemen.De KNMG heeft acht sprekers, vier mensen uit de praktijk en vier beleidsmakers, uitgenodigd om op het symposium hun visie en ervaringen op het gebied van taakherschikking te geven. Bron: www.knmg.nl
Het programma van het congres ’Taakherschikking in de praktijk, naar een betere en doelmatiger zorg?’ dat op maandag 2 oktober 2006 plaatsvond, biedt inzicht hoe taakherschikking in het bredere veld van de gezondheidszorg leeft. Er waren ruim 250 deelnemers uit diverse werkvelden zoals algemene en academische ziekenhuizen, geestelijke gezondheidszorg, eerstelijnszorg, acute zorg, ouderenzorg en de thuiszorg. Op het congres werden onder meer de volgende vragen beantwoord: - ‘De maatschap cardiologie wil een aios-plaats inruilen voor een Physician Assistant. Maar is daar een Nurse Practitioner niet veel beter op zijn plaats?’
- ‘Als wij in onze huisartsenpraktijk een diabetesverpleegkundige inhuren, gaat dat dan niet ten koste van de praktijkverpleegkundige?’
- ‘In ons verpleeghuis hebben we meer behoefte aan goede verpleegkundigen dan aan een Nurse Practitioner. Maar welk competentieprofiel past daarbij?’
- ‘Geeft taakherschikking meer efficiency?’
- ’De arbeidsmarkt is een slechte raadgever. Hoe koppelen we taakherschikking aan onze bedrijfsprocessen?’
- ‘Wat hebben we nodig? Een Nurse Practitioner of een verpleegkundig specialist in de ggz?’
De Nationale DenkTank Stichting De Nationale DenkTank is een non-profitorganisatie die zich tot doel stelt de samenwerking tussen overheid, bedrijfsleven en kennisinstellingen te verbeteren. Deelnemers zijn geselecteerde topstudenten en pas afgestudeerden van Nederlandse universiteiten. In 2006 heeft de DenkTank zich gebogen over de vraag hoe Nederland, in het licht van de vergrijzing, de zorg voor chronische zieken op een aanvaardbaar niveau kan houden.
De DenkTank komt elk jaar met een opdracht waarvan het onderwerp leeft in de samenleving. Voor 2006 richt de opdracht zich op ’Disease Management: Innovaties in de zorg voor chronisch zieken’. Daarbij is taakherschikking centraal gesteld. Het onderzoek beperkt zich hierbij tot vier van de belangrijkste chronische aandoeningen: COPD, hartfalen, aandoeningen van het bewegingsapparaat en depressie. Aan de hand van honderden interviews met onder meer zorgverleners en patiënten, zijn de belangrijkste knelpunten in kaart gebracht. De opdracht is mede gefinancierd door het ministerie van Economische zaken, zorgverzekeraar Menzis en de Stuurgroep Modernisering Opleidingen en Beroepsuitoefening in de Gezondheidszorg.
Acute zorg In tegenstelling tot de RVZ is het kabinet in 2004 in zijn reactie op het advies Acute Zorg van mening dat marktwerking ook in de acute zorg aangewezen is. Wel was het kabinet van mening dat de overheidsbemoeienis met de acute zorg verder zou moeten gaan dan het opleggen van een zorgplicht aan verzekeraars en het opleggen van bepaalde kwaliteitsnormen.
In een brief van september 2006 aan de Tweede Kamer over aanpassingen in de DBC-systematiek (CZ/IZ –2695262) wordt dit standpunt van het kabinet uit 2004 genuanceerd. Het kabinet stelt zich nu op het standpunt dat de kosten die gepaard gaan met het beschikbaar houden van acute zorg door een zorgaanbieder, afzonderlijk worden bekostigd. Die aparte vergoeding is echter alleen bedoeld voor de kosten die betrekking hebben op de beschikbaarheid buiten de reguliere bedrijfstijd. Naar de hoogte van een norm voor de beschikbaarheidsvergoeding zal verder onderzoek worden gedaan bij een representatief aantal SEHs. Ook wordt de komende tijd bezien welke zorgaanbieders met een SEH-locatie voor vergoeding van beschikbaarheid in aanmerking moeten blijven komen en wie dat bepaalt.
Aparte financiering van de beschikbaarheid van acute zorg is nagenoeg in overeenstemming met de aanbeveling van de RVZ destijds. De aanbeveling luidde: “De Raad beveelt aan de beschikbaarheid (benodigde capaciteit van mensen en middelen) en paraatheid van de acute zorg apart te financieren. Voor de acute zorg in ziekenhuizen beveelt hij de WBMV aan als de basis voor de extra beschikbaarheidskosten en een aanvullende case-mixtoeslag ter compensatie van verschillen in zorgzwaarte. Voor het ambulancevervoer is dat afhankelijk van de gekozen besturingsfilosofie. De Raad is voorstander van sturing door de overheid. De financiering moet zo vorm gegeven worden dat de verzekeraar geen risico loopt. Denkbaar is een constructie vergelijkbaar met een AWBZ financiering, bijvoorbeeld financiering van de beschikbaarheid via een subsidieregeling.”
De Wet Ambulancezorg (Waz) is in de Tweede Kamer in april 2006 aangenomen. In verband met de aankondiging van de indiening van een Wet op de Veiligheidsregio’s (WVR) heeft de Eerste Kamer in september 2006 de behandeling van het wetsvoorstel aangehouden. Op 9 oktober jl. heeft minister Hoogervorst de EK laten weten dat aan uitstel van behandeling onoverkomelijke bezwaren zijn verbonden. In de brief wijst hij onder meer op financiële consequenties. Met de Waz zijn verzekeraars beter in staat afspraken te maken over een doelmatige inrichting van de ambulancezorg. Met zijn collega van Binnenlandse Zaken is hij van mening dat er geen licht zit tussen de WVR en de Waz.
Op 17 oktober 2006 wordt de brief besproken van de minister van VWS d.d. 27 oktober 2006 over de risico’s van uitstel van behandeling van de Wet ambulancezorg (WAZ). Met uitzondering van de VVD-fractie ziet de commissie in de brief geen aanleiding de behandeling van het wetsvoorstel voort te zetten. De behandeling wordt aangehouden tot er meer zicht is op de veiligheidsregio’s.
Medische diagnose Aanleiding voor de adviesaanvraag over de medische diagnose als voorbehouden handeling in de Wet BIG was de ‘zaak Millecam’.
Iedereen wachtte met spanning op de beslissing van het Openbaar Ministerie (OM). Zou Jomanda al dan niet vervolgd worden? Op 3 oktober 2006 maakte het OM bekend de zaak tegen vijf verdachten die S. Millecam alternatieve behandelingen zouden hebben aangeboden te seponeren. Het betreft drie alternatieve artsen, een zouttherapeut en een medium (waaronder dus ook Jomanda). Daartoe werd besloten na een uitvoerig onderzoek, dat werd gestart in mei 2004 naar aanleiding van de aangifte van de inspecteur voor de gezondheidszorg. Uit de persverklaring (zie de tekst in het kader ) valt op te maken dat het OM geen mogelijkheden zag aannemelijk te maken dat de alternatieve artsen schade hadden toegebracht aan de gezondheid van Millecam c.q. schuld hadden aan de dood van Millecam: er zijn onvoldoende aanwijzingen gevonden dat de alternatieve artsen de besluitvorming van haar in een bepaalde richting hebben gestuurd. Derhalve bewijsproblemen. Uit de persverklaring van het OM Tijdens dit onderzoek werden onder meer diverse getuigen gehoord en zijn verschillende deskundigen geraadpleegd. Ook is uitgebreid onderzoek gedaan naar de relevante stukken en dossiers. Dit onderzoek heeft onvoldoende aanwijzingen opgeleverd voor (opzettelijk) handelen en/of nalaten van de zijde van verdachten waardoor de gezondheid van S. Millecam is benadeeld en/of daaraan schade is toegebracht. In juni 2000 werd bij S. Millecam door reguliere artsen definitief borstkanker vastgesteld. S. Millecam had na deze constatering een uitgesproken mening over de wijze waarop ze deze aandoening wilde bestrijden. Zij wilde geen chemokuur en stond sceptisch tegenover de reguliere geneeskunst. Zij verkoos de alternatieve geneeskunde en stond niet open voor kritiek op de door haar gemaakte therapeutische keuzes. S. Millecam gaf geen gevolg aan de adviezen van haar reguliere geneeskundig behandelaars. Er zijn onvoldoende aanwijzingen gevonden dat de alternatieve artsen de besluitvorming van haar in een bepaalde richting hebben gestuurd. Dit geldt evenzeer ten aanzien van de betrokken zouttherapeut en een medium. Bij de geneeskundigen lijkt sprake te zijn geweest van het niet vormen, dan wel niet adequaat bijhouden van een medisch dossier. Strafrechtelijk levert dit geen ander beeld op met betrekking tot hun verantwoordelijkheid voor de gezondheid van S. Millecam. Tuchtrechtelijk heeft dit wel consequenties gehad. Het Medisch Tuchtcollege heeft op 7 april jongsleden in dezelfde zaak de drie alternatieve artsen tijdelijk cq. definitief geschorst. Deze uitspraak staat los van de beslissingen die door het Openbaar Ministerie zijn genomen. Bij de tuchtzaak is de behandelwijze onderwerp van onderzoek, het strafrechtelijk onderzoek richtte zich op het onthouden van adequate medische zorg.
Een voormalig inspecteur van de Inspectie voor de Gezondheidszorg heeft aangekondigd met de Vereniging tegen de Kwakzalverij een artikel-12-procedure aan te spannen tegen het Openbaar Ministerie. Als hun klacht gegrond wordt verklaard, moet het OM de artsen en alternatieve behandelaars van Millecam alsnog vervolgen. Met deze procedure kunnen direct belanghebbenden een klacht indienen bij het gerechtshof. Als het hof de klacht gegrond verklaart, moet het OM alsnog tot vervolging overgaan. Meestal zijn het nabestaanden of slachtoffers die een beroep doen op artikel 12. Toch denken betrokkenen een goede kans te maken omdat in de statuten van de Vereniging tegen de Kwakzalverij staat dat haar doel bestrijding van de kwakzalverij is en dat alle wettige middelen kunnen worden ingezet om dat doel te bereiken.
Gekoppelde adviezen:
Taakherschikking in de gezondheidszorg
Acute zorg
Medische diagnose: kiezen voor deskundigheid
|