AWBZ: goed in verzorgen, slecht in participatieZoetermeer, 19 januari 2006
AWBZ-zorg in Nederland is duur, inefficiënt, en niet gericht op de wensen en behoeften van de patiënten. Mensen met een beperking worden door de huidige inrichting van de zorg vooral aangesproken op hun zorgbehoefte in plaats van op hun maatschappelijke mogelijkheden. Zorgverleners worden niet uitgedaagd om zelf initiatief te nemen. In zijn advies Mensen met een beperking in Nederland: de AWBZ in perspectief, dat de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg (RVZ) op 19 januari 2006 publiceert, pleit de Raad dan ook voor rigoureuze maatregelen: de AWBZ moet verdwijnen om plaats te maken voor enerzijds een medische verzekering - dus de basisverzekering inclusief de langdurige zorg - anderzijds door gemeenten georganiseerde maatschappelijke ondersteuning van mensen die op deze langdurige zorg zijn aangewezen. Langdurige zorg zal worden aangeboden vanuit cliëntge-richte wijkcentra. Het advies is aangeboden aan de minister en de staatsse-cretaris van VWS.
Het gebruik van AWBZ-zorg zal de komende jaren dramatisch stijgen. In de geestelijke gezondheidszorg bijvoorbeeld met meer dan 30%. Omdat deze zorg in Nederland vooral wordt geboden in dure instellingen, betekent dit dat de kosten navenant zullen toenemen. En wij zijn dan ook niet goed voorbereid op de naderende vergrijzing. Mensen met een beperking die op AWBZ-zorg zijn aangewezen hebben een zwakke positie op de arbeidsmarkt, in het onderwijs, en op de woningmarkt. Veel meer dan in andere landen die de Raad heeft vergeleken, staan deze mensen in Nederland ‘aan de kant’. Bovendien kenmerkt de zorg voor mensen met een bespreking zich door een bureaucratische en versnipperde aanpak, en een groot aantal ‘loketten’.
De AWBZ moet dus snel verdwijnen. In plaats daarvan bepleit de RVZ twee systemen: een medisch systeem, waarvoor de huidige basisverzekering voor de curatieve zorg wordt uitgebreid met de medische AWBZ-zorg. En een wettelijk geregeld systeem voor maatschappelijk ondersteuning. Dit is de Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO). De Raad pleit voor een sterke, autonome positie van gemeenten in deze maatschappelijke ondersteuning, met een bredere taak, meer vrijheid voor eigen lokaal beleid, en een daarbij horend eigen belastinggebied. Dit is in andere landen in de EU een gebruikelijke opzet, blijkt uit een internationale vergelijking van de RVZ.
Het RVZ-voorstel zal zeer grote gevolgen hebben voor de geldstromen. Het AWBZ-budget - 20 miljard euro - komt voor 60% terecht bij de basisverzekering, voor 30% bij de WMO en voor 10% bij de burger. Dit betekent bijvoorbeeld dat het WMO-budget van 1 miljard (kabinetsplan) stijgt naar zo’n 6 á 7 miljard euro.
De huisarts, de thuiszorg, en het maatschappelijke werk moeten volledig anders worden ingericht. Er moeten laagdrempelige, cliëntgerichte wijkcentra komen, die zowel de medisch-verpleegkundige als de maatschappelijk zorg en ondersteuning bieden. Zij richten zich op de patiënten die ze al hebben, en daarnaast vooral op mensen met een beperking die door een laag inkomen of onvoldoende opleiding in de problemen komen. Vanuit deze centra begeleiden ook verpleeghuisartsen, artsen voor verstandelijk gehandicapten en psychiatrisch verpleegkundigen de zelfstandig wonende gehandicapten en ouderen. Maar ook zullen er mensen werken die gespecialiseerd zijn in bijvoorbeeld arbeidsintegratie. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de oprichting van de wijkcentra. Zorgverzekeraars en gemeenten financieren deze centra gezamenlijk. Tezamen met het advies, verschijnen achtergrondstudies over onder meer de internationale vergelijking van langdurige zorg en over informele zorg (mantelzorg en vrijwilligerswerk).
|
korte inhoud
persbericht
downloads
nieuws
|